Language

Milieuwetgeving

De milieuwetgeving en -reglementeringen worden niet eenvoudiger. Centexbel volgt daarom de milieuwetgeving die voor de textielindustrie van toepassing is op de voet en adviseert de bedrijven hierover.

Water

Sectorale normen

In het kader van de Vlarem herziening werden de sectorale lozingsnormen voor textielveredeling aangepast. De sectorale lozingsvoorwaarden voor de textielveredeling worden van kracht op1 januari 2010, met uitzondering van de lozingsnormen voor de gefluoreerde polymeren die op 1 maart 2009 samen met de grote Vlaremtrein (BS 27.01.2009) werden ingevoerd.
Voor de parameters COD, totaal stikstof, totaal fosfor, totaal koper en totaal ijzer worden strengere normen voorzien dan de huidige sectorale lozingsnormen. Er kunnen soepeler normen worden toegestaan mits opname in de milieuvergunning.

Een aantal lozingsparameters wordt geschrapt uit de sectorale lozingsvoorwaarden zoals Kjeldahlstikstof en nitraat (vervangen door totaal stikstof), kathionische en niet-ionogene detergenten (wegens problemen met de meetmethode), acrylonitrilen, fenolen, vrije cyanide, gechloreerde solventen, totaal cadmium, totaal kwik, N-nitrosodipropylamine, som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbare sulfide en sulfiet en de somparameter zware metalen (niet meer relevant).

Een aantal parameters wordt strenger vanaf 1 januari 2010: organochloor- en fosforpesticiden, totaal chroom, totaal zink, chloroform en voor de rioollozers tevens totaal kobalt, totaal nikkel, chroom VI, totaal chroom.

Er worden enkele nieuwe parameters ingevoerd zoals sulfaten, synthetische pyrethroïden, totaal boor, naftaleen, overige PAK’s en AOX.
Een aantal stoffen wordt verboden te lozen meer bepaald C10-C13 hooggechloreerde korte keten paraffines, pentachloorfenol, organotinverbindingen en chloorafsplitsende bleekmiddelen met uitzondering van natriumchloriet.
Het gebruik van milieugevaarlijke stoffen dient beperkt en zo veel mogelijk vermeden te worden.

Nieuwe milieukwaliteitsnormen kunnen aanleiding geven tot strengere lozingsvoorwaarden

Op 21 mei 2010 (BS 9/7/2010) legde de Vlaamse Regering de nieuwe milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater vast. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het decreet integraal waterbeleid dat o.a. bepaalt dat er milieukwaliteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater moeten worden vastgelegd. De nieuwe milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater werden definitief op 11 januari 2011 bij publicatie van de stroomgebiedsbeheersplannen Schelde en Maas in het Belgisch Staatsblad.
De bijlage 2.3.1 van Vlarem II waarin al een aantal milieukwaliteitsnormen werden opgenomen, wordt aanzienlijk aangepast en uitgebreid. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:

Typespecifieke milieukwaliteitsnormen voor biologisch en algemeen fysisch-chemische parameters

Hierbij worden de verschillende categorieën van oppervlaktewaterlichamen (rivier, meer en overgangswater) verder ingedeeld in types (bv. categorie rivier: kleine beek, grote beek, kleine rivier, grote en zeer grote rivier). Voor elk van deze categorieën/types worden nieuwe milieukwaliteitsnormen voorgesteld. De algemeen fysisch-chemische parameters omvatten o.a. temperatuur, zuurstofgehalte, chemisch zuurstofverbruik, chloride, pH, stikstof- en fosforverbindingen. De biologische parameters vormen een nieuw beoordelingscriterium binnen de milieukwaliteitsnormen en omvatten een “ecologische kwaliteitscoëfficiënt (EKC)” voor verschillende in het water levende organismen (flora en fauna).

Niet typespecifieke milieukwaliteitsnormen voor gevaarlijke stoffen

Hierbij worden er onafhankelijk van de categorie of type oppervlaktewaterlichaam milieukwaliteitsnormen voor de gevaarlijke stoffen vastgelegd. Er wordt uitgegaan dat er in geen enkel type oppervlaktewater schadelijke stoffen in schadelijke concentraties mogen aanwezig zijn. Voor een aantal parameters wordt er een aangepaste norm voorzien voor overgangswater. Voor een aantal stoffen wordt aangeduid of ze prioritaire stoffen zijn dan wel prioritair gevaarlijke stoffen. Voor iedere parameter wordt er een jaargemiddelde (gebaseerd op chronisch langetermijn-effecten) en een maximale waarde (gebaseerd op acute effecten) bepaald.
Er wordt in de tabel van de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater, de nieuwe bijlage 2.3.1 van Vlarem II met betrekking tot gevaarlijke stoffen, een nieuwe kolom “indelingscriterium GS” ingevoegd. Dit criterium vormt de toetssteen voor de indeling van lozingwater als bedrijfsafvalwater. Als het afvalwater stoffen uit de lijst bevat in concentraties hoger dan het indelingscriterium GS dan moet het afvalwater beschouwd worden als bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen. Er moet dan ook voor die parameter(s) een milieuvergunning worden aangevraagd.
Een aantal parameters uit de nieuwe bijlage 2.3.1 van Vlarem II worden strenger (32), een aantal parameters versoepelen (29) en er worden een aantal nieuwe parameters geïntroduceerd. Voor die indelingscriteria GS die lager liggen dan de rapportagegrens (bijlage 4.2.5.2 van Vlarem II) geldt dat bedrijven vergunningsplichtig zijn voor die parameter zodra de concentratie in het afvalwater boven de rapportagegrens ligt. Als deze rapportagegrens in de toekomst onder het indelingscriterium wordt vastgelegd, geldt het indelingscriterium GS.
Het is voor bedrijven weinig zinvol de volledige lijst van nieuwe milieukwaliteitsnormen (+/- 170) te screenen. Een groot aantal stoffen is immers niet typerend voor die activiteiten die het bedrijf uitvoert. Ieder bedrijf dient die stoffen te selecteren die relevant zijn voor zijn processen/producten en na te gaan of het indelingscriterium GS al dan niet overschreden wordt.
Bij overschrijding wordt gekeken welke bron hiervoor verantwoordelijk is en of er bronbeperkende maatregelen mogelijk zijn. In tweede instantie gaat het bedrijf na of er technologieën beschikbaar zijn die de concentratie van de stof kunnen verminderen tot onder het indelingscriterium GS. Wanneer dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is, blijft de mogelijkheid tot aanpassing van de normen om zich in regel te stellen met Vlarem.
Bij de beoordeling van de aanvraag zal de overheid een afweging maken tussen Best Beschikbare Technieken en de ecologische draagkracht van het ontvangende oppervlaktewater. De vuistregel “ 10 x MKN” blijft als voorstel van lozingsnorm behouden, hoewel er uitzonderingen kunnen gemaakt worden zowel in positieve als in negatieve zin. Voor niet-persistente gevaarlijke stoffen en een voldoende groot debiet van het ontvangende oppervlaktewater zou een grotere verdunningsfactor kunnen overwogen worden. Voor prioritaire stoffen en vooral voor prioritair gevaarlijke stoffen zou een omgekeerde redenering kunnen toegepast worden.

Verwerking van bedrijfsafvalwater via de openbare zuiveringsinfrastructuur

In de Omzendbrief LNW 2005/01 met betrekking tot verwerking van bedrijfsafvalwater via de openbare zuiveringsinfrastructuur", van toepassing sinds 23 september 2005 wordt het lozen via de openbare riolering op RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) geregeld.
Deze omzendbrief somt de voorwaarden op waaraan bedrijfsafvalwater moet voldoen om via de riolering geloosd te kunnen worden.
In principe kan bedrijfsafvalwater op RWZI geloosd worden via een openbare riolering, hoewel dit niet mag leiden tot een minder goed functioneren van de RWZI en het rioleringsstelsel.

Indeling van de bedrijven:

1. Bedrijfsafvalwater van kleine bedrijven en huishoudelijk afvalwater:

Bedrijfsafvalwater van kleine bedrijven is in principe vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater en kan dus op riool geloosd worden.
Onder kleine bedrijven vallen alle bedrijven die:

  • onder de drempels vallen N1< 600 en N2< 200 en N3 < 400
  • die geen grote hoeveelheid verdund afvalwater lozen
  • die geen stoffen lozen die de werking van de RWZI kunnen verstoren

2. Bedrijfsafvalwater van bedrijven met kleine impact

Bedrijfsafvalwater met hogere N-drempelwaarden en dat slechts een relatief klein deel van de capaciteit van de RWZI uitmaakt kan normaal gezien verwerkt worden op RWZI.
Onder kleine impact worden een aantal criteria t.o.v. de RWZI vooropgesteld: vergund debiet (< 5% t.o.v. de hydraulische capaciteit), geloosde vracht aan BZV (< 15% t.o.v. ontwerp-BZV-vracht) en geloosde vrachten aan CZV, zwevende stoffen, totaal stikstof, totaal fosfor (< 5% t.o.v. ontwerpvracht).

3. Ad-hoc benadering voor het bedrijfsafvalwater van de andere bedrijven die tot een maximale win-win situatie moet leiden

Indien de werking van de RZWI niet gehypothekeerd wordt, is er geen reden om bedrijven niet aan te sluiten op of af te koppelen van de RWZI.
Hierbij is de belangrijkste vraag of het aangeboden afvalwater goed verwerkbaar is op RWZI?
Hiervoor moet het bedrijfsafvalwater gemiddeld aan volgende verhoudingen voldoen:

  • CZV/BZV < 4
  • BZV/N < 4
  • BZV/P< 25

De verwerking van bedrijfsafvalwater vormt geen probleem als er voldoende zuiveringscapaciteit op de RWZI aanwezig is en er aan de verhoudingen voldaan wordt. Indien de capaciteit van de RWZI onvoldoende is kan er overleg opgestart worden tot uitbreiding van de RWZI.
Bovendien is de hydraulische impact, de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in het afvalwater en de beschikbaarheid van alternatieven voor aansluiting op riolering belangrijk bij de beoordeling.

Energie

Richtlijn 2003/87/EG - Verhandelbare Emissierechten

Deze richtlijn bepaalt dat een aantal installaties vanaf 1 januari 2005 dient te beschikken over een zogenaamde broeikasgasvergunning voor de uitstoot van broeikasgassen. Textielbedrijven vallen onder deze richtlijn indien het nominaal thermisch ingangsvermogen van hun verbrandingsinstallaties meer dan 20 MW bedraagt.

Vlaams beleid inzake energieverbruik

Het Vlaams beleid inzake het energieverbruik is uitgewerkt in het kaderdecreet REG (Rationeel Energie Gebruik) en goedgekeurd door Vlaams parlement op 1 april 2004.

Voor de bedrijven steunt het beleid op twee pijlers:

  • Wettelijke Verplichtingen via VLAREM
  • Vrijwillige energiebeleidsovereenkomsten voor energie-intensieve bedrijven (Benchmarkingconvenant en auditconvenant).

Het Vlaams beleid vraagt de bedrijven niet om hun absoluut energieverbruik te beperken, wel om de energie-efficiëntie te verbeteren, dit wil zeggen de specifieke energieverbruiken (GJ/ton) te verminderen.

De website lucht milieuinfo biedt u meer informatie over het Vlaamse klimaatplan.

Afval

de Vlaamse milieuoverheid heeft onlangs een aantal plannen opgemaakt om de hoeveelheid en de kwaliteit van zowel bedrijfsafvalstoffen als slib te optimaliseren. Enerzijds is er het Uitvoeringsplan Slib waarbij ook textielslib is opgenomen en waarbij de overheid duurzame oplossingen zoekt voor de groeiende slibberg.

Anderzijds is er het Strategisch Plan Afval waarbij een aantal afvalstromen als prioritaire bedrijfsafvalstoffen werden aangeduid, waaronder textielafval samen met productiegebonden industriële slib.

BREF

De Europese richtlijn 96/61/EG - meestal de IPPC (Integrated Pollution Prevention and Control) richtlijn genoemd – heeft een belangrijke impact op de milieueisen die aan de industrie gesteld worden. De Europese lidstaten zijn immers verplicht tegen 2007 in alle grote bedrijven de vergunningsnormen opnieuw te bekijken. Bij de evaluatie van de milieunormen moet een integrale milieuvisie vooropstaan: afvalwater, emissies, vast afval en energie moeten samen bekeken worden en niet afzonderlijk. De Best Beschikbare Technieken (BBT) zijn hierbij het referentiepunt.

Om de lidstaten te helpen stelt het IPPC bureau, in opdracht van de Europese Commissie, BBT-referentiedocumenten (BREF) op voor de verschillende industriële sectoren.

De BREF is een referentiedocument dat op zich geen wetgeving is. Het is bedoeld als informatiedocument voor de vergunningverlener. Hierbij is het van belang de voorgestelde BBT maatregelen per bedrijf te evalueren met als doelstelling: een zo hoog mogelijke bescherming van het leefmilieu. Het is bijgevolg aangewezen om als bedrijf het BREF document (hoofdstuk 5) nauwgezet door te nemen en de zaken die op het specifieke bedrijf betrekking hebben grondig te bestuderen: haalbaarheid, alternatieven met zelfde resultaat, redenen om wel of niet bepaalde maatregelen uit te voeren, enz.

Chemische producten

REACH

REACH staat voor Registratie, Evaluatie en Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen. Deze verordening (nr 1907/2006) wil het veilig gebruik van chemische stoffen en preparaten doorheen de volledige industriële keten waarborgen en legt dan ook niet enkel verplichtingen aan fabrikanten en importeurs van chemische stoffen op over het verzamelen en verspreiden van informatie over de karakteristieken van de stof, maar ook aan downstream users, zoals vele textielbedrijven. Elke downstream user moet immers instaan voor het eigen veilig gebruik van de chemische producten en zorgen dat de nodige informatie doorstroomt in de keten, ook over stoffen in voorwerpen.

Gebromeerde brandvertragers

Om een brandwerend karakter te geven aan textielmaterialen, worden brandvertragers gebruikt. Omwille van de polemiek rond gebromeerde brandvertragers wordt, in de mate van het mogelijke en afhankelijk van het textielmateriaal en de toepassing, op zoek gegaan naar alternatieven.

De alternatieven van de gebromeerde brandvertragers (met name decabromodifenylether) voldoen niet altijd aan de gestelde veiligheids- en comforteisen. Na jarenlange studie is in het besluit van de Europese Risk Assessment over decabromodifenylether (DBDE of deca BDE) het gebruik toegestaan en stapt de industrie vrijwillig mee in een industrieel emissie monitoringprogramma, VECAP. Het VECAP (Voluntary Emissions Control Action Programme) omvat reeds 71 vol% van de decaBDE gebruikers in België. De textielsectoris momenteel actief betrokken bij het opstellen van een code van goede praktijk voor het gebruik en de verwijdering van decaBDE.

REACH en GHS: Globally Harmonised System on the classification and labelling of chemicals

Naar aanleiding van de Verklaring van Rio de Janeiro betreffende milieu en duurzame ontwikkeling uit 1992 is een wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (globally harmonised system on the classification and labelling of chemicals, GHS) ontwikkeld, dat in juli 2003 door de Economische en Sociale Raad van de VN is goedgekeurd. Tijdens de wereldtop van Johannesburg over duurzame ontwikkeling in 2002 is overeengekomen om GHS wereldwijd tegen 2008 te implementeren.

Het GHS werd ontworpen om een betere bescherming van personen en het leefmilieu te verzekeren tegenover de mogelijke gevaren die chemicaliën kunnen meebrengen tijdens hun productie, behandeling, vervoer en gebruik. Deze harmonisering op wereldvlak klasseert de producten in functie van hun intrinsieke gevaren en voorziet in een uniek systeem voor etikettering dat gebaseerd is op pictogrammen die voor iedereen begrijpelijk zijn. Dit systeem bevat eveneens de veiligheidskaarten en zal een invloed hebben op het geheel van nationale en internationale reglementen met betrekking tot chemische veiligheid.

Op termijn zullen de indeling van gevaarlijke chemische stoffen en preparaten de globale GHS criteria volgen. Op Europees niveau wordt een voorstel uitgewerkt om de GHS criteria te implementeren in de Europese wetgeving.