Language

Integratie Europees en gemeenschapsoctrooi

De ontwerpovereenkomst tot invoering van een Gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi is niet verenigbaar met het recht van de Europese Unie

De Raad van de Europese Unie heeft een ontwerp opgesteld voor een internationale overeenkomst, te sluiten tussen de lidstaten, de Europese Unie en de derde staten die partij zijn bij het Europees Octrooiverdrag, tot oprichting van een gerecht dat kennis zal nemen van geschillen over het Europese octrooi en het toekomstige gemeenschapsoctrooi. Deze ontwerpovereenkomst maakt deel uit van de meer algemene verwezenlijking van een geïntegreerd systeem voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi dat door het Europees octrooibureau zal worden verleend. Ofschoon de procedure voor de afgifte ervan uniform is, gaat het thans bij het Europees octrooi om een bundel nationale octrooien die onder het nationale recht vallen van de staten die de houder heeft aangewezen. Het toekomstige gemeenschapsoctrooi zou daarentegen een unitair en autonoom octrooi zijn en in de hele Unie dezelfde rechtsgevolgen hebben. Het zou eveneens alleen voor die territoriale ruimte kunnen worden verleend, overgedragen of nietig verklaard, dan wel eindigen.

Bij het ontwerp voor een internationale overeenkomst wordt een Gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi opgericht, bestaande uit een gerecht van eerste aanleg met een centrale afdeling en lokale en regionale afdelingen, een hof van beroep en een gemeenschappelijke griffie.

In die context heeft de Raad zich tot het Hof van Justitie gericht om het advies van het Hof in te winnen over de verenigbaarheid van de voorgenomen overeenkomst met het recht van de Unie.

Het Hof merkt om te beginnen op dat het Gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi volgens deze overeenkomst buiten het institutionele en gerechtelijke kader van de Unie valt. Het is een organisatie met eigen rechtspersoonlijkheid krachtens het volkenrecht. De ontwerpovereenkomst verleent dit Gerecht exclusieve rechtsmacht voor een groot aantal beroepen van particulieren op octrooigebied, meer in het bijzonder voor vorderingen wegens feitelijke inbreuk of dreiging van inbreuk op octrooien, vorderingen tot intrekking van octrooien en bepaalde vorderingen tot schadevergoeding. In zoverre berust die rechtsmacht niet meer bij de gerechten van de lidstaten, die enkel de bevoegdheden behouden die niet onder de exclusieve rechtsmacht van het Gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi vallen.

Het Hof voegt hieraan toe dat dit Gerecht bij de uitoefening van zijn functies is belast met de uitlegging en de toepassing van het recht van de Unie. Stellig heeft het Hof reeds geoordeeld dat een internationale overeenkomst die voorziet in de oprichting van een met de uitlegging van de bepalingen van deze overeenkomst belast gerecht, in beginsel niet onverenigbaar is met het recht van de Unie. Ook heeft het reeds erkend dat een internationale overeenkomst gevolgen kan hebben voor zijn eigen bevoegdheden, mits de essentiële voorwaarden voor het behoud van de aard van deze laatste vervuld zijn en de autonomie van de rechtsorde van de Unie niet wordt aangetast. In tegenstelling tot de andere internationale gerechtelijke stelsels waarover het Hof zich in het verleden al heeft uitgesproken3, zal het Gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi echter niet alleen de voorgenomen internationale overeenkomst maar ook bepalingen van het recht van de Unie gaan uitleggen en toepassen.

Bovendien constateert het Hof dat de oprichting van dit Gerecht de nationale gerechten de mogelijkheid, zo niet in voorkomend geval de verplichting, tot prejudiciële verwijzing op octrooigebied ontneemt, aangezien de ontwerpovereenkomst voorziet in een prejudicieel mechanisme dat de mogelijkheid tot prejudiciële verwijzing voorbehoudt aan het Gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi en onttrekt aan de nationale rechterlijke instanties.

Het Hof brengt in herinnering dat het actuele stelsel een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties omvat, in het kader waarvan deze laatste nauwlettend deelnemen aan de juiste toepassing en de eenvormige uitlegging van het recht van de Unie en aan de bescherming van de door die rechtsorde aan particulieren verleende rechten. De functies die respectievelijk aan de nationale rechterlijke instanties en aan het Hof zijn toegekend, zijn dus van essentieel belang voor het behoud van de aard van het recht van de Unie.

Dienaangaande herinnert het Hof aan het beginsel dat een lidstaat aansprakelijk is voor schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het recht van de Unie die hem kunnen worden toegerekend, ongeacht het orgaan van de lidstaat dat aan de oorsprong ligt van de schending, de rechterlijke instanties daaronder begrepen. Evenzo kan, wanneer een nationale rechterlijke instantie het recht van de Unie schendt, de zaak bij het Hof aanhangig worden gemaakt om die niet-nakoming door de betrokken lidstaat te doen vaststellen.

Het Hof wijst er evenwel op dat een beslissing van het Gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi die het recht van de Unie zou schenden, niet het voorwerp van een niet-nakomingsprocedure zou kunnen vormen en tot generlei vermogensrechtelijke aansprakelijkheid van een of meer lidstaten zou kunnen leiden.

In die omstandigheden is het Hof van oordeel dat, doordat de voorgenomen overeenkomst aan een internationaal gerecht buiten het institutionele en gerechtelijke kader van de Unie een exclusieve bevoegdheid zou toekennen om kennis te nemen van een groot aantal beroepen van particulieren op het gebied van het gemeenschapsrecht en om het recht van de Unie op dat gebied uit te leggen en toe te passen, de rechterlijke instanties van de lidstaten hun bevoegdheden op het gebied van de uitlegging en de toepassing van het recht van de Unie zouden worden ontnomen. De overeenkomst zou eveneens een impact hebben op de bevoegdheid van het Hof om prejudiciële beslissingen te geven in antwoord op door de nationale rechterlijke instanties gestelde vragen. Derhalve zou de overeenkomst de aan de instellingen van de Unie en aan de lidstaten verleende bevoegdheden die essentieel zijn voor het behoud van de aard van het recht van de Unie wijzigen.

Bijgevolg concludeert het Hof dat de voorgenomen overeenkomst tot oprichting van een Gerecht voor het Europees en het gemeenschapsoctrooi onverenigbaar is met de bepalingen van het recht van de Unie.